Nieuwe energiebedrijven vochten als leeuwen voor splitsing, maar botsten op wangedrocht van Eerste Kamer

30 september 2015 - Vaak halen mensen, ook politici, liberalisering en privatisering door elkaar. Liberalisering heeft betrekking op de vraag of de mensen kunnen kiezen tussen verschillende aanbieders, privatisering op de vraag wie de eigenaren van de bedrijven zijn. De wetgeving op het gebied van energie was gericht op liberalisering, niet op privatisering. De Nederlandse energiebedrijven waren in de eerste jaren van de vrije markt vrijwel allemaal nog stevig in handen van lokale overheden: gemeenten en provincies.

Basis
Aan de basis van de vrijmaking van de energiemarkt stond Europese wetgeving; in eerste instantie een richtlijn uit 1996 (96/92/EG ) die bepaalde dat er mededinging moest komen op de elektriciteitsmarkt. Mensen moesten kunnen kiezen tussen verschillende energieleveranciers. Daarvoor moest een scheiding gemaakt worden tussen netwerkbedrijven aan de ene kant en leverings- en productiebedrijven aan de andere kant. Die scheiding werd geregeld in de Tweede Elektriciteitsrichtlijn van de EU (2003/54/EG).
De netwerkbedrijven beheren de gas- en stroomnetwerken in de grond. De liberalisering van de energiemarkt had alleen betrekking op het andere deel: de levering- de productiekant. Dat is logisch want mensen kunnen van leverancier veranderen, maar niet van netwerkbedrijf. Er ligt immers maar één netwerk in de grond waar de huizen van afnemers aan verbonden zijn en het zou raar zijn om andere bedrijven toe te staan om daar een netwerk naast te leggen. Netwerken waren 'natuurlijke monopolies', een begrip dat later nog een grote rol zou spelen in de hele splitsingsdiscussie. Maar mensen moesten wel kunnen overstappen naar andere leveranciers dan de traditionele leverancier die in dat gebied actief is.
Het is iets wat velen (ter linkerzijde van het politieke spectrum) vaak en gedurende lange tijd niet onder ogen zagen: liberalisering van de energiemarkt was simpelweg voorgeschreven door Europa. Er was geen keus wat dat betreft. Fulmineren tegen die liberalisering in het Nederlandse Parlement had dan ook niet zo veel zin.
 
Privatisering betekent dat het eigendom van publieke naar private handen overgaat. De energiebedrijven waren in publieke handen maar verkoop aan private partijen was in die eerste jaren niet uitdrukkelijk verboden. De vraag of dit wenselijk was of niet, was simpelweg nog nooit aan de orde gekomen. Zo kon het gebeuren dat twee lokale energiebedrijven inclusief netwerken in handen kwamen van een privaat bedrijf.

Gehaaid
Het Duitse RWE is er als enig privaat bedrijf ooit in geslaagd Nederlandse netwerkbedrijven in handen te krijgen. Het nam Obragas (Helmond en omgeving) en Haarlemmermeergas over; de geïntegreerde bedrijven dus. Het bedrijf wilde ook Intergas (Oosterhout en omgeving) inlijven. De toenmalige minister van Economische Zaken Annemarie Jorritsma van de VVD vond het allemaal wel best; zij is immers een liberaal van het type laissez-faire, ofwel: ‘laat maar waaien’, ofwel ‘vrijheid blijheid’. De Tweede Kamer was echter op zijn hoede en kon nog net op een tijd een stokje steken voor nieuwe verkopen van geïntegreerde energiebedrijven, waarmee een verdere uitverkoop van de Nederlandse netten werd voorkomen.
Zo nam de Kamer in 2001 een motie aan waarin bepaald werd dat het juridische eigendom van de netten in handen van de overheid moest blijven. Het economische eigendom mocht voor maximaal 50% wel verkocht worden aan private partijen. Iemand met 'economisch eigendom' heeft niet het blote eigendom, maar draagt wel alle lasten en hij kan genieten van alle lusten van het object. Het onderscheid komt uit de vastgoedwereld. Het gebruik van deze termen, die eigenlijk louter fiscaal zijn, was opmerkelijk.
Door deze discussies in het Parlement kon de overname van Intergas door RWE niet doorgaan. Ook een voorgenomen verkoop van het Utrechtse Remu aan het Spaanse Endesa in 2002 mislukte om die reden. De directies van de energiebedrijven schreeuwden moord en brand over het grote onrecht dat hen werd aangedaan en ze dreigden met grote schadeclaims. Daar is later verder weinig meer van gehoord.
Er werd nog meer in die motie bepaald. Het was een nauwkeurige blauwdruk van hoe de eigendomsverhoudingen in de energiesector in de toekomst geregeld zouden worden. Het belang van een onafhankelijk Parlement dat in durft te gaan tegen de wil van de regering is hiermee onderstreept. Kom daar nu nog maar eens om.

Slinger
Het beeld werd destijds geschapen alsof het slechts een kwestie van tijd zou zijn voordat netwerkbedrijven weer wel helemaal verkocht zouden mogen worden. In anticipatie op die toekomstige toestemming nam het Australische investeringsfonds Macquarie in 2005 een belang van 49% in het netwerkbedrijf van NRE (omgeving Eindhoven). Het bedrijf dacht later wel eventjes heel het netwerk in handen te kunnen krijgen.
De politieke slinger ging echter juist gedecideerd de andere kant op en privatisering van de netwerken werd in toenemende mate als onwenselijk gezien door de politiek en door het publiek. Zelfs tegen de verkoop van een minderheidsaandeel rezen toenemende bezwaren. Omdat netwerken 'natuurlijke monopolies’ zijn horen ze in handen van de overheid, zo was de gedachte. Op die manier kunnen de belangen van de afnemers die aangesloten zijn op het netwerk en het belang van een goede energievoorziening in het algemeen, het beste gewaarborgd worden.
Met name toenmalig Kamerlid Ferd Crone van de PVDA – later burgemeester van Leeuwarden - heeft zich hard gemaakt voor het veiligstellen van de energienetwerken. Hij heeft het zo vaak over natuurlijke monopolies gehad dat de term nauw aan hem verbonden lijkt te zijn. Er hadden maar net wat andere mensen in de Tweede Kamer hoeven te zitten of het was allemaal heel anders gelopen en de hele Nederlandse energie-infrastructuur was definitief in handen gekomen van grote buitenlandse bedrijven.
Probleem was nu wel dat ook die delen van de energiebedrijven die zich in principe wel lenen voor verkoop (productie- en levering) niet verkocht konden worden. De netten moesten immers in overheidshanden blijven. Verkoop zou alleen kunnen als de bedrijven zich op eigendomsniveau zouden opsplitsen.

Gelijke monniken
Bedrijven waren zich al wel aan het splitsen in administratieve zin. Dat was voorgeschreven in de Interventie & Implementatiewet, die in juni 2004 werd aangenomen.
Het woordje 'implementatie' sloeg op de implementatie van Europese wetgeving, namelijk die van de Tweede Europese elektriciteitsrichtlijn, op grond waarvan bedrijven zich dus in administratieve zin moesten splitsen. De netwerken moesten gescheiden worden van de commerciële delen van het bedrijf en de zogenaamde 'onafhankelijk derde-toegang' (third party acces) kreeg kracht van wet. Dit laatste betekent dat de netwerkbeheerders iedereen in gelijke mate toegang moesten geven tot de energie-netwerken. Ze mochten niet bijvoorbeeld hun eigen leverancier bevoordelen. Het economisch eigendom over die netten moest bij de netbeheerder komen te liggen, en mocht dus niet een laag hoger bij de holding liggen, zoals tot dan toe het geval was. Zo zou de macht van de commerciële holding van het bedrijf over de netwerkbedrijven verminderd worden.
Het woordje 'Interventie' had betrekking op allerlei manieren om de energiesector te reguleren. Afnemers werden namelijk meer dan voorheen beschermd en het toezicht op de energiemarkt werd versterkt; deze taak kwam te liggen bij de DTE (Dienst Toezicht Energiesector), onderdeel van de NMA, later opgegaan in de ACM.

Donderslag
En toen, in maart 2003, kwam als een donderslag bij heldere hemel Elsevier Weekblad met het nieuws dat toenmalig minister Brinkhorst van Economische Zaken energiebedrijven wilde gaan verplichten om zich op te gaan splitsen op eigendomsniveau. Het was een geniaal plan. Het was de enige manier om de Gordiaanse knoop te ontwarren.
Als die bedrijven eenmaal gesplitst waren dan konden de eigenaren, de gemeenten en provincies dus, rustig de commerciële delen verkopen. Op die manier zouden ze geen grote commerciële risico's meer lopen, wat ze toen nog wel deden. Tegen de commerciële risico's werd in toenemende mate met gefronste wenkbrauwen gekeken. Onder meer door de Ceteco-affaire uit 1999 waarbij de provincie Zuid-Holland miljoenen verloor op leningen aan handelshuis Ceteco, waren gemeenten zich bewust geworden van de commerciële risico’s die ze liepen door het hebben van belangen in commerciële bedrijven.
Tegelijkertijd konden de netwerken bij een splitsing in handen van de overheid blijven. Alleen als de bedrijven gesplitst waren hoefden die netwerken immers niet meeverkocht te worden als lokale overheden hun risico's wilden verminderen. Op die manier kon de overheid blijven waken over de, voor een land zo belangrijke energie-infrastructuur. De overheid kon er op toezien dat de netwerkbedrijven de netten goed zouden blijven onderhouden en dat ze rekening zouden blijven houden met de belangen van de afnemers, die niet konden overstappen naar andere netwerkbeheerders.
Ook schiep het de mogelijkheid voor de directies van de nieuwe netwerkbedrijven om een koers uit te zetten die meer in het algemeen belang was en niet slechts in het belang van de commercieel ingestelde moederbedrijven waarvan ze deel uit maakten. Ze konden zich, om het plastischer uit te drukken, eindelijk ontrukken aan de beklemmende houtgreep waarmee de holdings hen vasthielden.

Kruissubsidies
Verder zou er op deze manier een einde komen aan kruissubsidies tussen netwerkbedrijven en commerciële leveringsbedrijven.  Dagelijks reden honderden busjes van netwerkbeheerders rond waar de namen van de commerciële leveringsbedrijven op stonden en ook op de meterkaartjes die rond werden gestuurd stonden de namen van de commerciële bedrijven. Dat was een groot marketingvoordeel ten opzichte van nieuwkomers, die dergelijke busjes en kaartjes niet hadden.
Ook konden de grote bedrijven aantrekkelijke commerciële aanbiedingen doen, ofwel: onder de kostprijs verkopen, louter en alleen door die netwerken, die garant stonden voor een stabiele stroom aan inkomsten. De netwerken konden de klappen opvangen als de grote (buitenlandse) avonturen die de directies op touw hadden gezet weer eens op niets waren uitgelopen.
Een ander voordeel van het bezit van netten was dat de geïntegreerde bedrijven goedkoop geld konden lenen, door de netten die in de grond zaten als onderpand aan te bieden. Het stellen van garanties aan de grote gasleverancier Gasterra was bovendien een stuk makkelijker voor grote bedrijven; kleine bedrijven gingen ten onder aan die eisen van onze nationale gasmonopolist. Gasterra eiste garanties om zich er van te verzekeren dat het afgenomen gas wel betaald zou worden.
Verder bevoordeelde het netwerkbedrijf op allerlei andere manieren de eigen leverancier. Netbeheerders deden bijvoorbeeld nogal eens moeilijk als energieleveranciers die concurreerden met het moederbedrijf een windmolenpark  of biovergistingsinstallatie aan wilden sluiten op hun netwerk. Ook tuinders klaagden steen en been over dit gedrag. Dit ondanks het feit dat die third-party access al geregeld was in de wet.

Dit alles was natuurlijk tot groot ongenoegen van de nieuwkomers en de grote buitenlandse bedrijven die in Nederland actief waren. Die hadden geen eigen netwerk en hadden al die voordelen van de netten niet. Zij waren dan ook grote en felle voorstanders van de plannen van Brinkhorst. Dit leidde later tot een breuk in de branchevereniging Energiened. De bedrijven RWE, Eon, Oxxio en Electrabel, die geen netten in Nederland hadden, scheidden zich af en gingen verder onder de naam VME.
 

Groepsverbod
De splitsing zou vormgegeven worden door een artikel in de wet op te nemen waarmee bepaald werd dat commerciële bedrijven die zich bezighouden met de productie en/of levering van energie geen belangen mochten hebben in netwerkbedrijven, en vice versa. Dit was het zogenaamde ‘groepsverbod’. Daarnaast was er nog het zogenaamde 'verbod op nevenactiviteiten'. De netbeheerders mochten kortweg geen activiteiten ontplooien als die strijdig zijn met goed netbeheer. Dit werd uitgelegd als een verbod op activiteiten die niets met netbeheer van doen hebben. De netbeheerders moesten zogenaamde 'vette netbeheerders' zijn en geen 'magere netbeheerders'. Dat wil zeggen dat de netbeheerders niet alles wat er uit te besteden valt mogen uitbesteden. Anders zouden de netbeheerders immers toch weer alles gaan uitbesteden aan de voormalige moeders, die daardoor hun dominante posities in de markt zouden behouden. Hier is wel de hand mee gelicht.           


Groepsverbod
De splitsing zou vormgegeven worden door een artikel in de wet op te nemen waarmee bepaald werd dat commerciële bedrijven die zich bezighouden met de productie en/of levering van energie geen belangen mochten hebben in netwerkbedrijven, en vice versa. Dit was het zogenaamde ‘groepsverbod’. Daarnaast was er nog het zogenaamde 'verbod op nevenactiviteiten'. De netbeheerders mochten kortweg geen activiteiten ontplooien als die strijdig zijn met goed netbeheer. Dit werd uitgelegd als een verbod op activiteiten die niets met netbeheer van doen hebben. De netbeheerders moesten zogenaamde 'vette netbeheerders' zijn en geen 'magere netbeheerders'. Dat wil zeggen dat de netbeheerders niet alles wat er uit te besteden valt mogen uitbesteden. Anders zouden de netbeheerders immers toch weer alles gaan uitbesteden aan de voormalige moeders, die daardoor hun dominante posities in de markt zouden behouden. Hier is wel de hand mee gelicht.
 
Vuile campagne
Voor de grote bedrijven was de gedwongen splitsing onbespreekbaar. Er werden allerlei argumenten aangedragen. Zo zouden de afgesplitste bedrijven ten prooi vallen aan grote buitenlandse concurrenten. Een hoop werkgelegenheid zou daarmee verloren gaan, zo was de bangmakerij.
Een ander argument tegen de splitsing waren de cross border leases (CBL's). Het argument van de grote bedrijven was dat als de energiebedrijven gesplitst zouden worden Amerikaanse investeerders de overeenkomsten konden opzeggen en grote schadeclaims zouden kunnen gaan indienen. 'Dat zouden ze natuurlijk ook doen, want het waren Amerikanen', zo was dan de suggestie. Als de rating onder de B zou komen dan konden de Amerikanen de lease opzeggen, en een hoop schade gaan claimen, zo was de stelling.
Die CBL's aandragen als argument tegen de splitsing was echter ongeloofwaardig, want de CBL's zouden na splitsing bij het netwerkbedrijf blijven en die netwerkbedrijven zouden alleen maar kredietwaardiger worden als de risicovolle commerciële delen afgesplitst zouden worden. Wel was het zo dat het voor de Amerikanen van belang was dat de relatie met de eindklanten zou blijven bestaan. Dat gaf hen namelijk voldoende zekerheid dat er een stabiele inkomstenstroom zou zijn. Die relatie zou mogelijk verloren gaan als de netwerkbedrijven zouden worden afgesplitst en de eindklanten over zouden gaan naar de leverancier. Dan zouden netwerkbedrijven mogelijk alleen nog te maken hebben met een stuk of tien leveranciers, die volgens het leveranciesmodel de netwerkkosten bij de klanten zouden innen en dat geld dan zouden afdragen aan de netwerkbeheerders.
Een cashflow is zekerder als die van miljoenen klanten afkomstig is dan als die van een stuk of tien leveranciers moet komen. Daarom was het voor de Amerikanen van belang dat netbeheerders een relatie met al die miljoenen eindklanten zouden behouden. Dit had onder meer tot gevolg dat de de netbeheerders ervoor zorgden dat de naam van de klant in de aansluitregisters bleef staan, zodat de relatie met klanten toch nog kon worden aangetoond. Strikt genomen zou het voldoende zijn geweest als alleen de naam van de leverancier in die registers had gestaan. Tot op de dag van vandaag staan om die reden de namen van alle afnemers in de aansluitregisters van de netbeheerder.
De stelling dat splitsing tot grote schadeclaims zou leiden kon nauwelijks hard gemaakt worden en werd er met de haren bijgesleept om nog maar een argument tegen de splitsing te hebben.

Leugens
De grote energiebedrijven lieten echter geen middel onbenut om de splitsing van tafel te krijgen. Ze waren daarvoor zelfs bereid bekende personen om te kopen. De bedrijven schakelden Wouter van Dieren, lid van de befaamde club van Rome, in en gaven hem 1,7 miljoen euro om te komen met een rapport waaruit zogenaamd zou blijken dat splitsing slecht is voor een transitie naar een duurzame economie. Het beeld werd geschapen dat de bedrijven na de splitsing berooid zouden achterblijven en dat ze dus geen geld meer zouden hebben om te investeren in duurzame energie-installaties. De verduurzaming van de samenleving zou daarmee spaak lopen. In het programma Nova (voorloper van Nieuwsuur) verspreidde Van Dieren vervolgens allerlei leugens over Brinkhorst.


Onderbuik
De leiders van de grote bedrijven lieten vooral hun onderbuik spreken. Zij waren altijd gewend zelf de energievoorziening vorm te geven en ze konden het simpelweg niet verkroppen dat de politiek zo sterk ingreep in de bedrijfsprocessen. 'Baas in eigen bedrijf', had hun lijfspreuk kunnen zijn in die tijd.
Bovendien zag de toekomst er voor die baasjes bleek uit na de splitsing. Ze konden hetzij directeur worden van het netwerkbedrijf (saai!), hetzij directeur blijven van het commerciële bedrijf maar dan zouden ze mogelijk gauw moeten verdwijnen omdat die bedrijven zouden worden overgenomen door grote buitenlandse concerns.
De leiders van de grote energiebedrijven startten een campagne tegen de splitsingswet op. In advertenties, die onder meer opdoken op de voorpagina van de Telegraaf, werd Brinkhorst betiteld als "die schijnliberaal van D66". Vooral Essent-directeur Boersma en Eneco-directeur Ronald Blom speelden een grote, kwalijke rol in de campagne tegen de landelijke overheid, terwijl de bedrijven waarvan ze de baas waren in handen van de lokale overheden waren.
De ondernemingsraden van de vier grote bedrijven verenigden zich in het LME. Het LME kreeg op het hoofdkantoor van Essent alle ruimte en faciliteiten om van leer te trekken tegen de splitsing. In een tijd dat het ene na het andere Néderlandse bedrijf duizenden werknemers op straat zette werd betoogd dat splitsing er toe zou leiden dat als de Nederlandse energiebedrijven in handen zouden komen van grote buitenlandse partijen dit er toe zou leiden dat grote groepen mensen op straat zouden komen te staan.
Niet gemeld werd dat een groot deel van het productiepark al in buitenlandse handen was, namelijk in die van Eon en Electrabel. Ook werd voor het gemak vergeten dat juist directeur Ludo van Halderen van Nuon in zijn vorige baan als baas van Epon (voorloper van Electrabel) nota bene 800 mensen op straat had gezet.
Tevens was het zo dat splitsing niet noodzakelijkerwijs tot verkoop zou hoeven te leiden, ook al lag dat dan wel in de lijn der verwachtingen. Maar de beslissing om al dan niet te verkopen lag in handen van de aandeelhouders en die konden er ook na splitsing voor kiezen om het commerciële deel in eigen hand te houden. Het LME dreigde nog even de stroom uit te schakelen tijdens een interland van Nederland die in Eindhoven werd gespeeld, en kreeg toen prompt een kort geding van de KNVB aan zijn broek.
De LME – en met name diens voorman Jan de Jong- werd compleet aangestuurd door de directie van Essent, zoveel was duidelijk. Volgens oud-directeur Wim Naeije van Eneco was ‘straatvechter’ Blom –zijn opvolger bij Eneco- echter de felste tegenstander van de splitsing.

Wangedrocht
De splitsingswet werd ondanks alle tegenstand en de miljoenen kostende campagne in 2006 aangenomen door de Tweede Kamer. De Eerste Kamer torpedeerde vervolgens een soepele inwerkingtreding. De Eerste Kamer nam de wet aan, maar nam tevens een motie aan waarin gesteld werd dat de wet alleen in werking mocht treden als aan bepaalde voorwaarden werd voldaan. Zo mochten energiebedrijven geen misbruik maken van hun netten. En ze mochten geen buitenlandse avonturen opstarten, die zouden worden gefinancierd met de opbrengsten van de netwerkbedrijven. De motie werd daarmee in feite een wetswijziging, en het was dan ook een tamelijk unieke, om niet te zeggen illegale constructie. De  Eerste Kamer heeft namelijk niet het recht om wetten te wijzigen. De Eerste Kamer mag alleen wetten aannemen of verwerpen, en moties indienen.
Met name de rol van Eerste Kamerlid Joyce Sylvester van de PVDA was opvallend geweest. Waar de PVDA in de Tweede Kamer onder leiding van Ferd Crone de grootste pleitbezorger van de splitsing was geweest was zijn tegenvoeter in de Eerste Kamer, Sylvester, tegen. Uit de debatten bleek dat ze in het geheel niets van de materie begrepen had. Directeur Naeije van Eneco zei tijdens een interview later dat de energiebedrijven Sylvester (later burgemeester van Naarden) gefêteerd zouden hebben, door haar een toezichthoudend baantje aan te bieden.

In 2007 had de toenmalige minister Maria van der Hoeven, een kordate vrouw, echter genoeg van het gedoe. Ze greep een overname door Delta van het Belgische Indaver aan om de splitsingswet in werking te laten treden. De motie van de Eerste Kamer gaf haar daarvoor immers een handvat.

Juridische gevecht
De energiebedrijven Eneco, Delta en Essent stapten naar de rechter. Het Gerechtshof van Den Haag gaf de energiebedrijven in 2010 gelijk. Iedereen was met stomheid geslagen, zelfs de tegenstanders van de splitsing. Veruit het grootste deel van de bedrijven, waaronder Nuon en Essent, had zich namelijk al lang en breed bij de splitsing neergelegd en had zich al opgesplitst. Alleen Eneco en Delta hadden dat nog niet gedaan. Het netwerkbedrijf van Nuon ging zelfstandig verder onder de naam Alliander en dat van Essent onder de naam Enexis.

Beetje zwanger
Hoe was het gerechtshof tot die opmerkelijke conclusie gekomen? Het gerechtshof nam het zogenaamde privatiseringsverbod als uitgangspunt. Dat is het verbod op de verkoop van de netten, zoals dat in verschillende wetten was vastgelegd. Het Hof oordeelde echter in haar onmetelijke wijsheid dat dit verbod 'niet absoluut' was. Er bestond een mogelijkheid dat de netwerkbedrijven verkocht konden worden, zo vonden de rechters. Dit leidde er weer toe dat het Gerechtshof vond dat de Europese regels van het vrije verkeer van kapitaal van toepassing waren op de energiebedrijven. Dat vrije verkeer kan alleen om "zeer dwingende redenen van algemeen belang" terzijde worden geschoven.
Er was veel kritiek op de uitspraak, alleen al op de uitspraak dat het privatiseringsverbod niet absoluut was. Hoe kan een verbod niet absoluut zijn? Iets is verboden of iets is niet verboden, er is geen tussenweg; net zoals een vrouw niet een beetje zwanger kan zijn. Ex-minister Van der Hoeven was deze mening ook toegedaan, zo liet ze weten.
Verder waren er wel degelijk dwingende redenen van algemeen belang. Het zeker stellen van de energievoorziening en het waarborgen van de belangen van mensen die voor hun energievoorziening afhankelijk zijn van een monopolist zijn wel degelijk dergelijke 'dwingende redenen'. Maar de Haagse rechters vonden van niet. Die konden dergelijke dwingende redenen niet vinden.
Nu is het rare dat het Hof vervolgens concludeert dat dús de splitsingswet ongeldig is. Bedrijven konden al niet investeren in netwerkbedrijven (want er was dat privatiseringsverbod) en ze konden dat nog steeds niet als de splitsingswet buiten werking zou worden gesteld, want dan zou dat privatiseringsverbod (al dan niet absolutistisch) er nog steeds zijn. Maar toch stelden de rechters de splitsingswet buiten werking met als argument het bedrijven belemmert om te investeren in netwerkbedrijven. Dat klopte natuurlijk voor geen meter.
De Nederlandse Staat ging dan ook in cassatie bij de Hoge Raad en de regering zorgde er voor de zekerheid voor dat het verbod op privatisering van de netwerken steviger in de wet werd verankerd dan voorheen. De Hoge Raad durfde geen uitspraak te doen en stelde zogenaamde prejudiciële vragen aan het Europese Hof van Justitie, die werden beantwoord in oktober 2013. Volgens het Europese Hof was de Nederlandse Staat gerechtigd om een splitsing te eisen van de energiebedrijven. Daarna lag de bal weer bij de Hoge Raad. In 2015 dan eindelijk geconcludeerd dat de splitsing niet onverenigbaar was met Europees recht.

Bevrijding
Ondertussen waren echter wel alle bedrijven behalve Eneco en Delta opgesplitst. De nieuwkomers konden dus redelijk tevreden zijn over de uitkomst van het proces.
Voor de netwerkbeheerders die zich mochten afsplitsen was het niets minder dan een bevrijding. Zij konden eindelijk hun eigen weg bewandelen. Van nature waren de mensen die daar werkten (die nog van de tijd van de oude nutsbedrijven waren) gewend om in termen van het algemeen belang te denken en de bevrijde netwerkbeheerders gingen zich dan ook met veel enthousiasme op dat algemeen belang storten. Ze gingen zich bijvoorbeeld actief bemoeien met de verduurzaming van de Nederlandse energievoorziening. Wat was nodig vanuit de kant van de netwerkbeheerders om die verduurzaming tot stand te brengen?, zo vroegen ze zich af.
Dat sloeg ook weer een beetje door, want de netwerkbedrijven gingen allerlei zaken oppakken die wellicht ook door bedrijven in de vrije markt opgepakt konden worden. Maar toch, dit was beter dan de naargeestige houding die de bedrijven aan de dag legden toen ze nog onderdeel van de commerciële bedrijven waren, een houding die nog steeds te vinden is bij Stedin en Delta Netwerkbeheer.

Hier meer informatie over de splitsing van de energiebedrijven.


Jurgen Sweegers
Adviesbureau Geldengroen.net
Copyright © Geldengroen.net

Deel dit artikel

Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn