Wat Klijnsma wil met onze pensioenen: een eenvoudige vergelijking van vóór (doorsnee-premie) en na (afnemende opbouw)

7 juli 2015 - Het kabinet is van plan om de doorsnee-premie af te schaffen, zo schrijft staatssecretaris Klijnsma van sociale zaken in een brief. Bij nader inzien is dat eigenlijk onjuist. De doorsnee-premie blijft; iedereen in een bedrijf of in een sector blijft hetzelfde percentage van het loon betalen. Maar de opbouw gaat verschillen al naar gelang de leeftijd. Hier een poging om het simpel uit te leggen:

Voor:

De pensioenpremie is een bepaald percentage, bijvoorbeeld 20%, van het 'pensioengevend salaris'. Dat is het loon minus een bepaald vast bedrag, de franchise. Stel dat iemand 40.000 euro verdient en de franchise is 13.000. Dan is de premie 5.400 euro per jaar (20% van 27.000). Dit wordt overigens gezamenlijk opgebracht door werkgever en werknemer; het gaat dus niet helemaal van het salaris af.

De werknemer krijgt daar natuurlijk pensioen voor terug. Met dat bedrag van 5.400 bouwt hij ieder jaar bijvoorbeeld 1,875% van zijn pensioengevend salaris aan pensioen op. Dit betekent dat hij, als hij met pensioen gaat, zolang hij leeft ieder jaar 506 euro aan pensioenuitkering krijgt (1,875% van 27.000 euro) als gevolg van die jaarlijkse premie. Iemand die 40 jaar werkt krijgt dan uiteindelijk 75% (40 maal 1,875%) van zijn pensioengevend salaris aan pensioen. Ofwel, in dit geval: 20.250 euro per jaar. Daarnaast krijgt hij nog AOW.

Probleem:

'Oneerlijk', zegt Klijnsma nu, in navolging van jongeren die mee hebben kunnen praten over hervorming van het pensioenstelsel. Iedereen betaalt 5.400 euro per jaar (even ervan uitgaande dat iedereen hetzelfde salaris heeft). Maar die 5.400 euro van iemand die jong is, zal uiteindelijk een veel hoger bedrag worden dan de 5.400 euro van iemand die oud is. Die 5.400 euro van iemand die jong is heeft immers 30 of 40 jaar kunnen 'renderen', terwijl die 5.400 van iemand die oud is slechts een paar jaar heeft kunnen renderen. (Dan gaat de staatssecretaris er dus maar even vanuit dat het rendement op beleggingen positief is, iets wat de laatste tijd niet zo vanzelfsprekend meer is.)

Je zou zeggen: het middelt elkaar wel uit gedurende het werkende leven van iemand, maar blijkbaar wordt het als oneerlijk gezien.

Na:

Een oplossing is om jongeren een lagere premie te laten betalen dan ouderen. Dan betalen jongeren minder om 506 euro aan hun levenslange pensioen-uitkering toe te voegen dan ouderen. Dus geen 5.400 euro, maar bijvoorbeeld 2.000 euro. Maar, zo zegt Klijnsma, dit maakt dat jongeren een stuk goedkoper worden voor werkgevers, waardoor ouderen nog moeilijker aan de bak komen. Daar zou ze wel eens gelijk in kunnen hebben.
Dus kiest ze voor een andere aanpak. Een jongere voegt met die 5.400 euro een hoger percentage aan de pensioenuitkering toe dan de oudere. Dus de jongere van 20 jaar bouwt dat jaar bijvoorbeeld 3% op en de oudere van 60 jaar slechts een half procent. Dus de jongere voegt dan 810 euro aan zijn jaarlijkse levenslange pensioenuitkering toe (3% van 27.000) en de oudere slechts 135 euro. Het percentage dat wordt opgebouwd zou dan geleidelijk afnemen naarmate de leeftijd vordert.

Jurgen Sweegers

Kenniscentrum Geldengroen.net
Copyright © Geldengroen.net

Deel dit artikel

Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn