Financieringslastpercentages van Nibud zijn te laag, betuttelend en onrechtvaardig

29 juni 2016 - Sinds 2013 speelt het Nibud een grote rol bij het beantwoorden van de vraag hoeveel we mogen lenen. Deze organisatie bepaalt ieder jaar wat het percentage van het inkomen is dat mensen mogen uitgeven aan woonlasten. Dat percentage hangt af van het inkomen. Zo mag iemand met een bruto jaar-inkomen van 23.000 euro, als de rente 3% is, slechts 15,5% van zijn of haar inkomen uitgeven aan woonlasten en iemand met een inkomen van 90.000 mag 27,5% van zijn inkomen uitgeven aan de hypotheeklening. Die percentages zijn onredelijk laag. Bovendien is het niet aan het Nibud om te bepalen hoeveel mensen mogen uitgeven aan de woning.

Tabellenbrei
Nibud stelt sinds 2000 al vast hoeveel uitgegeven mag worden worden aan de hypotheeklening door mensen die onder de Nationale Hypotheekgarantie vallen. Sinds 2013 is dat echter uitgebreid naar alle hypotheekleningen, toen werd de rol van Nibud namelijk opgenomen in nationale wetgeving. Ieder jaar worden er uitgebreide tabellen gepubliceerd met al de 'woonlastpercentages', in jargon 'financieringslastpercentages' genoemd. Er zijn tabellen voor mensen die nog niet met pensioen zijn, mensen die wel met pensioen zijn, mensen die de rente niet kunnen aftrekken, tweeverdieners, 'aantoonbaar niet kwetsbare groepen', etc. Al met al is het een hele tabellenbrei. Behalve van het inkomen zijn de percentages ook afhankelijk van de rente.*

Vrije markt
Persoonlijk vind ik de bemoeienis van het Nibud erg ver gaan. Mensen moeten zelf kunnen bepalen hoeveel ze maandelijks aan woonlasten uit willen geven. Ze kunnen zelf een inschatting maken, al dan niet met behulp van een adviseur, en dan naar de bank gaan om een lening aan te vragen. De bank heeft dan natuurlijk het volste recht om te zeggen dat zo'n lening onverantwoord is, gezien het inkomen van de mensen en hun uitgavenpatroon. Maar het is ten principale niet aan de overheid, of aan een door de overheid ingehuurde organisatie om voor alle Nederlanders te bepalen hoeveel ze maximaal mogen uitgeven aan woonlasten. Dat past niet in een vrije markt-economie.

Schuur
Daarnaast zijn de percentages onredelijk laag, helemaal die voor mensen met lage inkomens. Bij een inkomen van 23.000 (en een rente van 3%) mag dus slechts 15,5% aan wonen worden uitgegeven, dat is tegen de 300 euro per maand. De maximale hypotheek die hierop gebaseerd is bedraagt 70.000, daar kun je in Nederland een schuur van kopen. Iemand die bijna 2.000 euro per maand verdient kan echter makkelijk meer dan 300 per maand uitgeven aan de woning. Dit bedrag is bovendien bruto, een deel krijgt hij terug van de fiscus. Zeker weten dat deze persoon met zijn gezin meer aan huur kwijt is. En, als hij een hypotheeklening neemt, lost hij iedere maand af en bouwt hij zo langzaam vermogen op.

Wet van Engel
Wonen is, samen met voedsel en energie, de belangrijkste behoefte in het leven van de mens. Dat moet goed op orde zijn en als dat bij bepaalde mensen meer dan 15,5% van het inkomen vergt, dan moet dat mogelijk zijn. Daarbij is het altijd en overal zo dat mensen met lage inkomens een relatief groot deel uitgeven aan primaire goederen (de zogenaamde wet van Engel in de economische wetenschap). Hier kan wonen ook onder worden geschaard. Naarmate het inkomen toeneemt, neemt het aandeel van deze uitgaven af. Maar bij Nibud werkt het net andersom. Als het inkomen toeneemt mag het aandeel dat uitgegeven wordt aan wonen stijgen. Dit is dus precies contrair de ervaringswet uit de economie. Nibud gaat in tegen natuurlijke uitgave-patronen.

Nibud gaat met financieringspercentages in tegen de ervaringswet dat mensen relatief meer aan wonen uitgaven als ze een lager inkomen hebben.

Onrechtvaardig
Maar ook voor hoge inkomens zijn de percentages laag. Iemand met een inkomen van 90.000 euro kan riant leven, zelfs als hij de helft van zijn inkomen aan een huis besteedt. Waarom mag hij dat dan niet van het Nibud? Wie is het Nibud dan om te zeggen: 'Nee, gij zult slechts 27,% uitgeven aan rente en aflossing?' Dus behalve dat de percentages laag zijn, zijn de percentages ook hoogst discutabel, vooral voor mensen met hoge inkomens. En ze zijn onrechtvaardig. Waarom mag iemand met een laag inkomen een minder groot deel uitgeven aan wonen dan iemand met een laag inkomen? Dit riekt naar rechtsongelijkheid.

Saldo
Het probleem is onder meer dat het Nibud woonlasten ziet als saldo-post. Dus als het eten en de voetbalclub betaald zijn dan mag de rest van het Nibud worden besteed aan wonen. Maar wonen is geen saldopost maar een primaire levensbehoefte. De voetbalclub is de saldopost. Daarbij moet bedacht worden dat er altijd nog het huis als onderpand is. Er is bij het vaststellen van de hoogte van de hypotheeklening al een maximum dat gebaseerd is op de waarde van het huis. De lening mag, in 2016, niet meer zijn dan 102% van de waarde van het huis. Dit is dus al een voldoende waarborg dat het niet al te snel mis kan gaan. Als het gezin in financiële problemen komt kan het de woning verkopen en goedkoper gaan wonen.

Regressief
Nibud is verder geobsedeerd met het in bescherming nemen van zogenaamde kwetsbare groepen, zo blijkt uit een rapport waarin de percentages worden verdedigd. Persoonlijk ben ik allergisch voor de term kwetsbare groepen. Mensen of dieren kunnen kwetsbaar zijn in bepaalde omstandigheden, maar ze zijn niet kwetsbaar als zodanig. Het betitelen van mensen als kwetsbaar is naargeestig, een typisch trekje van partijen als de PVDA. Ga uit van mensen die iets willen en kunnen maken van hun leven, die hun leefomstandigheden willen verbeteren door, onder meer, het kopen van een huis, en eigen plek onder de zon. Dit is het badinerend taaltje dat door Nibud gebezigd wordt:

Dit is de meest kwetsbare groep qua betaalbaarheid, dus een extra buffertje voor deze groep is niet onwenselijk.

Bureaucraten
Hoe dat berekenen van die percentages precies in zijn werk gaat is mij onbekend. Er wordt blijkbaar met allerlei zaken rekening gehouden: de zorgtoeslag, pensioenpremies, etc. Als de zorgtoeslag met een paar euro daalt, bijvoorbeeld, gaan de percentages omlaag, zo blijkt uit het rapport. Het is een mate van gedetailleerdheid die eng aandoet. Het is dezelfde gedetailleerdheid die de über-bureaucraten van de EU aan de dag leggen bij het opstellen van wetten, reden waarom mensen zo'n hekel aan de EU hebben gekregen.

Kapotte spijkerbroek
Nibud wil objectieve criteria die voor iedereen gelden, maar uiteindelijk leidt die nauwkeurigheid tot subjectiviteit en onrechtvaardigheid. Hoe meer factoren Nibud betrekt bij het vaststellen van de percentages, hoe ongeloofwaardiger het bouwwerk wordt. Je gaat allerlei aannames doen; iedere aanname is net bezijden de waarheid maar al die aannames samen leiden tot een uitkomst die niet meer reëel is. En tegenover elke factor waarmee wél rekening wordt gehouden staan er tien waarmee geen rekening wordt gehouden. Heeft iemand alleen Mavo gehad of de universiteit? Komt iemand netjes gekleed bij de adviseur of ongeschoren en gestoken in een kapotte spijkerbroek? Hoeveel koters lopen er in huis rond? Allemaal factoren waar geen rekening mee wordt gehouden maar die er wel toe doen. Maar voordat Nibud nu gaat denken: 'Oh help, hier moeten we ook rekening mee houden', kan het beter na gaan denken over de vraag of de methode nog wel deugt.

Gelijke monniken, gelijke kappen
Er valt nog iets te zeggen voor het opstellen van een relatief ruim absoluut maximumpercentage, dat voor iedereen gelijk is. Gelijke monniken gelijke kappen. Dus: de bruto financieringslast mag niet hoger zijn dan 40% van het inkomen, van beide partners bij elkaar opgeteld. Dat is een hele ruwe maatstaf en je kunt allerlei redenen aandragen waarom die voor bepaalde huishoudens lager en voor bepaalde huishoudens hoger moet zijn. Maar het is een goede indicatie van wat maximaal nog verantwoord is. Zaak is dan wel dat banken en mensen dit percentage, in tegenstelling tot de huidige percentages, gaan zien als een absoluut maximum en niet als tegelijkertijd een minimum.

Stel een maximum woonlastenpercentage op dat voor iedereen gelijk is en dat ieder jaar gelijk blijft


* Hoe lager de rente, hoe lager het bedrag dat aan wonen mag worden besteed. Dit lijkt raar, want als de rente lager is zijn de kosten van lenen lager, zou je zeggen, dus kan je meer lenen. Het heeft te maken met de aftrekbaarheid van de rente. De bedragen die uitgerekend worden zijn bruto-bedragen; wat je bruto maximaal mag besteden. De betaalde rente krijgt je terug van de fiscus. Hoe lager de rente hoe minder groot het rentedeel in het brutobedrag is (en hoe hoger het aflossingsbedrag) en hoe minder je terugkrijgt van de fiscus. Dus moet je netto meer betalen bij een lagere rente. Om hiervoor te compenseren is het maximale brutobedrag lager bij een lagere rente en hoger bij een hogere rente. Het betekent echter niet dat er ook echt meer geleend kan worden bij een hogere rente. Want de maximale lening die op basis van de maximale woonlasten wordt berekend is ook afhankelijk van de rente maar dan in omgekeerde zin. Hoe hoger de rente hoe lager het te lenen bedrag. Zie hier.

 

Jurgen Sweegers
Kenniscentrum Geldengroen.net
Copyright © Geldengroen.net

Deel dit artikel

Submit to FacebookSubmit to TwitterSubmit to LinkedIn